Afdrukken

Artikel

Slot 1726 b kopie

Afbeeld­ing: Slot Scha­gen door Cor­nelis Pronk

De tes­ta­menten van Josina van Bei­jeren van Scha­gen (± 14671543) — deel 2
Op 15 juni 1543 over­li­jdt Josina, Vrouwe van Scha­gen, in haar huis in Haar­lem. Op haar sterfdag geeft zij nog eens duidelijk aan dat zij geen ruzie wil betr­e­f­fende haar laat­ste wil. Maar ze vreest wel duidelijk onenighe­den tussen haar ver­schil­lende fam­i­liele­den. Josina doet haar best dat te voorkomen en zegt dat nog eens met zoveel woor­den: “sei­jde mede die voorschreven Vrouwe van Schaa­gen totte voorschreve Mr Hen­d­er­ick Albreghtssoon Notaris dat hij dogh alle dinck soo vast ende sterck maacken woude (in het tes­ta­ment) dat­ter ijmers (= vol­strekt, beslist) geen twist onvre­den ende claghte naar (= na) haar over­li­j­den op soude mogen comen.”33) Die ruzie komt er wel, vri­jwel onmiddellijk.


Johanna en Agatha wor­den beleend met de heer­lijkheid Scha­gen
Johanna van Scha­gen, weduwe van Gijs­brecht van Schoten (en haar zuster Aechte, weduwe van Frans van Steen­beek, in haar kiel­zog) laat zich door de Grote Raad van Meche­len bele­nen met de heer­lijkheid van Scha­gen op 9 juli 1543.34) Josina zal nog maar nauwelijks zijn bijgezet in het fam­i­liegraf in de kerk van Scha­gen. De Grote Raad van Meche­len passeert daarmee het Leen­hof van Hol­land. Of dat wil­lens en wetens gebeurt, is niet duidelijk. De argu­men­tatie van Johanna (en Aechte) blijkt uit de sen­ten­tie — het betreft een zoge­heten sen­ten­tie diffini­tive, een defin­i­tief von­nis waar­van geen beroep meer mogelijk is — die de Grote Raad uit­vaardigt op 20 sep­tem­ber 1555, 12 jaar na het over­li­j­den van Josina van Scha­gen (!)35)

Zij is de recht­matige leen­vol­ger van Josina, meent ze, want zij is de eerste die in aan­merk­ing komt, omdat ze de dochter is van Willem. Hij is een broer van Albert, de vader van Josina. Jan Jansz van Scha­gen, de zoon van Jan, de andere broer van Albert, is immers van een gen­er­atie later; zij staat dus (samen met haar zuster Aechte, Agatha) dichter bij de eerste heer van Scha­gen, haar groot­vader, Willem van Bei­jeren, bas­taard van Hol­land. Alle andere neven en nichten uit deze derde gen­er­atie zijn inmid­dels overleden. Uit het ver­volg blijkt dat de erf­ge­na­men van Jan Jansz van Scha­gen, Willem en zijn vrouw Elis­a­beth van Bron­chorst, er niet over peinzen om het bevel van de Grote Raad op te volgen.


Het ver­zoekschrift van Johanna
Johanna (Janne) en Agatha (Aechte) van Scha­gen laten het daar niet bij zit­ten. Boven­dien menen ze recht te hebben op alle zaken in Velsen die Josina geërfd heeft van haar moeder en die Josina van Scha­gen bij tes­ta­ment nalaat aan Frans en Ernst van Nijen­rode, haar neven aan moed­er­skant.36)

Wat er in de vol­gende vier jaar gebeurt, is niet duidelijk, maar in juli 1547 dien­den Janne en Aechte een ver­zoek (sup­pli­catie heet dat) in bij de Grote Raad, inhoudend dat de Raad hen de heer­lijkheid toewi­jst, omdat de andere par­tij die heer­lijkheid onrecht­matig gebruikte, er de vruchten van plukte en weigerde er afs­tand van te doen. Daar­bij kwam vol­gens de beide zusters dat Josina toen zij haar laat­ste wil maakte op 15 juni 1543, niet meer goed bij haar ver­stand was, ter­wijl boven­dien Willem, de huidige heer van Scha­gen, niet voor niets — sedert 22 okto­ber 1544 — onder curatele was gesteld. Ook aan zijn capaciteiten mocht der­halve wel getwi­jfeld worden.


De andere par­tij
De gedaag­den, Willem, zijn cura­tor Philips van Uui­jtwi­jck, en Elis­a­beth van Bron­chorst, Willems vrouw en inmid­dels in zijn plaats de hon­neurs voor en van de heer­lijkheid Scha­gen waarne­mend, bepleit­ten bij de Grote Raad dat de zaak wordt ver­wezen naar Het Hof van Hol­land en wat Frans en Ernst van Nijen­rode betreft naar de Raad van de stad Haar­lem. Ze zetten tegen­over de Grote Raad uiteen dat zij volkomen recht­matig de heer­lijkheid bezit­ten, ver­wi­jzend naar de rechts­geldige tes­ta­menten van Josina van Scha­gen van 1535, 1541 en 1543.

Gezicht op HaarlemAfbeeld­ing: Gezicht op Haar­lem

De getu­igen­verk­larin­gen 15441549
De cura­tor van Willem en Willems vrouw hebben inmid­dels niet stil gezeten, even­min als Frans en Ernst van Nijen­rode. Zij hebben mensen uit Scha­gen, en in de loop der jaren bij Josina van Scha­gen dien­st­doend per­son­eel — veel dien­st­mei­den en knechten – getu­igen­verk­larin­gen laten afleggen tegen­over burge­meesters, schep­e­nen en raden van Scha­gen, Alk­maar, Utrecht, Den Haag en Haar­lem, waaruit bleek hoe ze von­den dat Josina van Scha­gen han­delde en in het dagelijks leven stond.37) Uit al deze getu­igen­verk­larin­gen bleek boven­dien dat Josina tot op de laat­ste dag van haar leven, 15 juni 1543, helder van geest was en volkomen bij bewustz­ijn nog laat­ste wijzigin­gen in haar tes­ta­ment had laten aan­bren­gen. Dat Willem onder curatele was gesteld in ver­band met schulden, was trouwens mede te danken aan de chi­canes van zijn oud­tantes Janne en Aechte. Zoveel wordt duidelijk uit dit defin­i­tieve von­nis van 1555.


Ver­volg recht­szaak na 1549
Par­ti­jen staan elkaar repliek en dupliek toe. Op de eis van de aan­klager volgt het antwo­ord van de aangeklaagde; daarop kan de eiser ingaan (repliek) en ver­vol­gens daarop de aangeklaagde (dupliek). Daarna heeft de eiser het recht nog eens met nieuwe argu­menten te komen (tripliek) en de aangeklaagde met een antwo­ord daarop (qua­dru­pliek). Na repliek en dupliek vol­gen er in dit geval inder­daad tripliek ‘bij gescri­fte’ en der­halve een qua­dru­pliek eve­neens ‘bij gescri­fte’. De argu­menten die Johanna aan­vo­ert in haar tripliek zijn echter prak­tisch gelijk­lu­idend aan de vorige. Daartegen­over staan de getu­igenis­sen van vele per­son­eel­sle­den van Josina van Scha­gen die door Frans en Ernst van Nijen­rode en door Elis­a­beth van Bron­chorst en Philips van Uui­jtwi­jck wor­den opgetrom­meld na juli 1547. Boven­dien wor­den allen die aan­wezig waren bij het voor­lezen van het laat­ste tes­ta­ment op de ocht­end van de sterfdag van Josina van Scha­gen, op 15 juni 1543, opnieuw geho­ord en leggen opnieuw hun getu­ige­nis af. Dat doen ze tegen­over burge­meesters, schep­e­nen en raad van Haar­lem op 23 juni 1551. 38
Plattegrond Haarlem

Afbeeld­ing: Plat­te­grond Haar­lem door Willem Out­gersz. Aker­sloot, ca. 1628, Beeld­bank NHA

Een pikant detail
Pikant detail van de ocht­end van 15 juni 1543 - de dag waarop Josina haar laat­ste tes­ta­ment voorgelezen kri­jgt en bekrachtigt — is overi­gens dat Johanna van Scha­gen in de keuken van het huis van Josina aan­wezig is en daar samen met Frans en Ernst van Nijen­rode tussen de mid­dag iets zit te eten. De arts Jan Maar­ti­jnssoon Doc­tor gaat bij hen zit­ten als hij terugkomt van huis. Zij is er dus bij als de arts opnieuw naar Josina wordt geroepen: … ende es hij deposant (de getu­igende arts dus) daar naa wegh gegaan ende des mid­daaghs wederom comende heeft hij getu­i­jge die voorschreven Van Nijeuwen­roode mitte weduwe Ghi­js­brechts van Schooten genaampt Juf­frou Janna van Scha­gen aldaar bevon­den aan die tafele sit­ten eeten daar hij getu­i­j­gen meede bij es gegaan sit­ten39)


Jan van Scha­gen geho­ord
Op 13 sep­tem­ber 1547 was Jan Maartensz doc­tor boven­dien nog geho­ord door burge­meester, schep­e­nen en raad van Haar­lem40) over de laat­ste lev­enspe­ri­ode van Jan van Scha­gen, die getrof­fen was door een beroerte, door­dat of nadat zijn nicht Josina hem nog­maals onterfd had en haar laat­ste wil van 1535 had her­roepen. In dat tes­ta­ment had ze hem aangewezen als haar leen­vol­ger van de Heer­lijkheid Scha­gen.41) In deze getu­igen­verk­lar­ing staat uitvo­erig beschreven hoe Jan van Scha­gen er in die laat­ste lev­enspe­ri­ode aan toe was. Er wordt in ver­meld wie hij ont­moette en hoe zijn relatie met Josina van Scha­gen was in die laat­ste peri­ode voor hij stierf omtrent Bartelomeus­dag in augus­tus 1542.42)

Jan Maartenssoon is ook de arts van Josina van Scha­gen. Soms is hij de verbind­ingsper­soon tussen beide fam­i­liele­den, zoals blijkt uit deze getu­ige­nis. Jan van Scha­gen (Jan Jansz) is niet de eerste de beste, hij is vele jaren burge­meester van Haar­lem en wordt in deze getu­igen­verk­lar­ing ook aange­spro­ken als zodanig.


Doel getu­igen­verk­larin­gen
Al deze getu­igen­verk­larin­gen wor­den afgelegd tussen 1544 en 154943) en dienen als schriftelijk mate­ri­aal voor het gelijk van Willem van Scha­gen in zijn rechten op de heer­lijkheid Scha­gen enerz­i­jds en als weer­leg­ging van de aanspraken, argu­menten en beschuldigin­gen van Janne en Aechte van Scha­gen anderzijds.


Het defin­i­tieve von­nis van 20 sep­tem­ber 1555
De Grote Raad van Meche­len komt uitein­delijk op 20 sep­tem­ber 155544) (met een defin­i­tief von­nis, waarin uitvo­erig wordt inge­gaan op de geschiede­nis die eraan voorafging van en vanaf het moment van het over­li­j­den van Vrouwe Josina van Scha­gen. Er volgt een com­pleet overzicht van de gang van zaken zoals die in het boven­staande is weergegeven.

Zitting Grote Raadjpg

Afbeeld­ing: Zit­ting Grote Raad van Meche­len onder Karel de Stoute

De uit­spraak is verni­eti­gend voor Johanna van Scha­gen, al haar aanspraken op de heer­lijkheid Scha­gen wor­den afgewezen, boven­dien draait ze op voor de helft van de pro­ceskosten. De erf­ge­naam en zoon van Willem, Johan van Scha­gen (Jan III), wordt aangewezen als de recht­matige leen­vol­ger in de heer­lijkheid, nu onder voogdi­jschap staand van zijn moeder Elis­a­beth van Bronchorst.

Scherpenhuis Haarlem


Afbeeld­ing: Schep­en­huis Meche­len, zetel van het par­lement (14731477) en van de Grote Raad (15041616)

Johanna en Agatha van Scha­gen, wie waren ze?
Johanna (Janna of Janne) van Scha­gen, eerst weduwe van Floris van der Boekhorst, daarna weduwe van Gijs­brecht van Schoten, is de dochter van Willem van Scha­gen en Duve Jacob­s­dochter Raat45).

Agatha (Aachte of Aechte) van Scha­gen, is de weduwe van Frans van Steen­beek46) of Jan van Steen­beeke47); waar deze Van Steen­beke (Jan of Frans) geboren is en/​of woonde is onbek­end? Hoe dat zij, onvin­d­baar is hij ook.

De geboorte­jaren van beide zussen zijn niet bek­end. Het is niet onwaarschi­jn­lijk dat Johanna de oud­ste van bei­den is, zij neemt in elk geval steeds het voor­touw en wordt ook telkens het eerst genoemd.


Floris van der Boekhorst en Gijsbert/​Ghijsbrecht van Schoten
Als haar eerste man Floris van der Boekhorst sterft op 9 novem­ber 1509 in Noord­wijk, wordt er een dek­plaat voor zijn graf gemaakt, waarop staat wie hij was, wat hij deed en wan­neer hij was overleden (zie de afbeeld­ing hieron­der). Daar­naast wordt zijn vrouw afge­beeld; er staat op wie zij was, maar niet wan­neer zij was overleden. En dat is juist, want zij leeft nog. Zij hertrouwt tien jaar later, in 1519, met Gijs­bert of Ghi­js­brecht van Schoten, schild­knaap. Van Schoten is vanaf 1520 baljuw van Ken­nemer­land. Hij sterft waarschi­jn­lijk in 1524, het jaar waarin hij wordt opgevolgd als baljuw door zijn broer Ysbrant van Schoten; deze sterft in 1529.48) Ze wonen ver­moedelijk in Bev­er­wijk, over Johanna wordt in ieder geval ver­meld dat zij over­li­jdt in Bev­er­wijk in 1567, 84 jaar oud. Dat houdt in dat zij is geboren in 1483. Als Aechte haar jon­gere zus is, dan zou die geboren kun­nen zijn omstreeks 1486. De laat­ste keer dat Aechte genoemd wordt is in het ver­zoekschrift dat de gezusters richten tot de Grote Raad van Meche­len op 2 april 1547. Ze zal der­halve zijn overleden na 2 april 1547 en voor de datum van het defin­i­tieve von­nis van 20 sep­tem­ber 1555.


’Wij zijn oud en weduwe’
In het stuk van de sup­pli­catie van 2 april 154749) vin­den we deze pas­sage: “…maer dat de sake ende par­tien gehouden zouden wor­den in onsen voorschreven Grooten Rade /​ende dat mids den rede­nen ende mid­de­len daer op horen inti­matie (= laat­ste dag­vaard­ing) gefondeert was ende zun­der­lin­gen (= in het bij­zon­der) dat zij bei­j­den weduwen waren oudt van daghen ende haer rechts niet ver­staende ende alsoe na rechte gepre­vilegeert om huere par­tien die jonge cloecke lieden waeren ende in pos­sessie van ’t gene dat zij heeschten (= eis­ten)…”.

Ze bekla­gen zich erover dat zij bei­den weduwe zijn en oud van dagen, dat ze geen ver­stand hebben van de rechts­gang, ter­wijl de tegen­par­tij jong is en boven­dien in het bezit van dat waarom zij ver­zoeken (de heer­lijkheid Scha­gen dus). En inder­daad Johanna was op dat moment 60 jaar en Aechte achter in de vijftig.


Stri­jd­baar tot het einde
Johanna geeft het daarna op, ze weet dat ze met betrekking tot de heer­lijkheid Scha­gen geen enkele kans meer heeft. Dat betekent echter niet dat ze de andere par­tij met rust laat, ze heeft nog altijd recht op zekere gelden gezien het tes­ta­ment van haar nicht Josina.

Josina, Vrouwe van Scha­gen, had in haar laat­ste wil toezeg­gin­gen gedaan aan haar neven Frans en Ernst van Nijen­rode en aan haar nichten Johanna en Agatha van Scha­gen. Uit een sen­ten­tie van 24 maart 1568 (hof­stijl) en dus van 24 maart 1569, die ‘speelt’ tussen Geert van Reede Heere van Saes­felt als nazaat en schoonzoon van Ernst van Nijen­rode en Adri­aen van Bou­chorst, als zoon van Johanna van Scha­gen en Floris van der Boekhorst, blijkt dat Johanna nog steeds actief is, nu als ver­weer­ster, dus als gedaagde of aangeklaagde. In deze sen­ten­tie50) lezen we: “…Waer tegens van­we­gen die voor­noemde ver­weer­ster ende impe­trante van requeste civile geal­legeert ( = gratiev­er­zoek gevraagd) is geweest dat seeckere jaren gele­den deeser weerelt over­lee­den was bin­nen Haer­lem Jof­frouwe Josina Vrouwe van Scha­gen, weesende een ooms dochter van deese ver­weer­ster dat oock die voors. Vrouwe Josina voor haer over­li­j­den besproocken ende gemaeckt hadde haer twee nichten te weeten deese ver­weer­sterende Jof­frouwe Agatha van Steen­beeck haer suster die overleden is…”.

Johanna van Scha­gen leeft der­halve nog op 24 maart 1569. Deze recht­szaak is daarmee nog niet afgelopen. In de er op vol­gende acte van acqui­esce­ment (= berust­ing; men wordt het eens) dit zelfde onder­w­erp betr­e­f­fende is Cor­nelis van Boukhorst als verte­gen­wo­ordi­ger van zijn vader Adri­aan de ene par­tij en al genoemde Geert van Reede de andere. Deze acte is van 12 juli 1569.51)

Overleden in 1567 of in 1569?
Het is daarom zeer waarschi­jn­lijk dat Johanna in de tussen­liggende maan­den is overleden. Niet in 1567 dus, maar in 1569, omstreeks 86 jaar oud en tot op het laatst bezig haar recht te halen of te verdedigen.

In de Leenkamer van de Graaf van Hol­land VIII52) staat onder num­mer 99C:

Onder dit hoofd staan dege­nen die vanaf 1466 recht had­den op deze 100 klink­erts en op 5 jan­u­ari 1570 gaat dit recht over op Adri­aan van de Boekhorst. En verder:

Het is duidelijk dat zijn moeder, Johanna van Scha­gen, inmid­dels en vrij kort daar­voor is overleden.

Slot 1612


Afbeeld­ing: Slot Scha­gen in 1612 door A. Rade­maker

Agatha meestal genoemd Aechte van Scha­gen.
Haar offi­ciële naam is Agatha van Schagen,ze is geboren voor 1500, het ster­f­jaar van haar vader Willem. Aangezien deze Willem, de jong­ste zoon van Willem van Beieren van Scha­gen, bas­taard van Hol­land en eerste heer van Scha­gen, geboren zal zijn voor 1444, mogen we veron­der­stellen dat zijn huwelijk met Duve Jacob­sdr Raat zal zijn voltrokken omstreeks 1470. De kinderen, twee jon­gens en twee meis­jes zullen geboren zijn tussen – zeer ruwweg – 1470 en 1490. Aangezien Johanna, de zus van Agatha, overleden is in 1567 of 1569 (zie hier­boven) en dan vol­gens de over­lev­er­ing de leeftijd heeft van 84 of 86 jaar, moet zij geboren zijn in plus­mi­nus 1483.

Aangezien Johanna in veel zaken het ini­ti­atief neemt, is hier de veron­der­stelling dat Agatha haar jon­gere zus is. Zij zal geboren zijn tussen 1483 en 1490.

Uit de vele processtukken die zijn overgeleverd betr­e­f­fende de heer­lijkheid Scha­gen na de dood van hun nicht Josina op 15 juni 1543, blijkt dat Aechte van Scha­gen zal zijn overleden tussen 1545 en 1549. Ze zal dus plus­mi­nus 55 jaar, miss­chien 60 jaar oud zijn geworden.

In de archief­s­tukken betr­e­f­fende de fam­i­lie Van Beieren zoals bewaard in het Noord-​Hollands Archief in Haar­lem, bevindt zich een verza­mel­ing zeer korte uit­trek­sels van ‘Processtukken gevon­den op het adel­lijk huis te Scha­gen’54). Op een van de laat­ste bladz­i­j­den vin­den we deze aan­teken­ing: ‘Pro­ces– stukken tuss­chen Frans van Nijen­rode en de Hr Ernst van Nijen­rode eijss­ch­ers in recon­ven­tie en de ver­weerders in con­ven­tie con­tra Jonkvrouw Janne van Scha­gen weduwe wijlen Gijs­bregt van Schoten en de Jonkvrouw Agatha van Sca­gen weduwe van Frans van Steen­beek ver­weerders in recon­ven­tie en eijss­ch­ers in con­ven­tie, betr­e­f­fende het tes­ta­ment van wijlen Vrouwe Josina van Sca­gen’. Met deze processtukken hebben we in het boven­staande uitvo­erig ken­nis gemaakt.

We weten nu dat Aechte van Scha­gen was getrouwd met Frans van Steen­beek, ook geschreven als Steen­beeck. Over deze Frans is verder niets bek­end, noch wie zijn oud­ers waren, noch waar hij van­daan kwam, noch waar hij woonachtig was.

Dat Aechte met een Van Steen­beeck was gehuwd, blijkt uit het gegeven dat zij een dochter heeft die Johanna van Steen­beeck heet. Deze Johanna was getrouwd met Ael­brecht de Rid­der van Lunenburg.

In het Gemeen­tearchief Utrecht berust een regest (dat is een beknopte weer­gave van een akte) met de vol­gende inhoud55): Jfr Johanna van Steen­beeck weduwe Ael­bert de Rid­der van Lunen­borch als enige erf­ge­name van Jfr Agatha van Scha­gen haar moeder zaliger, trans­port coop­mans­brief aan Joost Ver­haer Cor­nelisz. Dat is een duidelijk bewijs van de relatie tussen moeder en dochter.

Een tweede bewijs van deze relatie moeder en dochter vin­den we in het Nation­aal Archief.56)

In de zaak hangende voor dit hof tussen joufvrouw johanna van steen­beeck weduwe van ael­brecht den rid­der enig erf­gen. van joufvrouwe aechte van steen­beeck haar moeder impt. (impe­trante) in raeu actie con­tra vrouwe mar­gri­ete van renesse weduwe van heer eerst van nyen­rode rid­der, heer geert van reede rid­der als man en voogd van vrouwe geertruyt van nyen­rode als enige erf­gen. van ver­noemde heer eerst van nyen­rode, haar vader, heer pieter van pon­dern vic­aris st. marien, mr. heyn­rick van meden­bli­jck advo­caat voor het hof van utrecht en jan vlug als exe­cu­teurs en cura­teurs over jan van der does van noortwijk als enige erf­ge­naam van wijle frans van nyen­rode in leven raad in ‘t hof van utrecht… .

Hier heet Agatha van Scha­gen zelfs Aechte van Steen­beeck. Duidelijker kan het niet. Boven­dien tre­f­fen we haar hier aan in ’het gezelschap’ van de mensen die we al ken­nen uit het hele ver­haal over de tes­ta­menten van haar nicht Josina van Schagen.

Ael­brecht de Rid­der, de echtgenoot van Johanna van Steen­beeck, woonde in Den Haag aan het Noordeinde. In een blogspot​.com staat deze aan­teken­ing57):

H-​1563, Jan Claesz Vos, pro­cureur HvH (Hof van Hol­land), tbv Johanna van Steen­beek, wed van jhr Ael­brecht de rid­der van Lunen­burg, HEE Noordeinde. N(oord) Pieter de wiel­maker, Z(uid) Cor­nelis van Wijn­gaar­den, O(ost) de heer­straat, W(est) de boom­gaard van Jan van Dam, reken­meester, wegens koop (710).

Aangezien Ael­brecht de Rid­der in 1561 nog leeft, moet Johanna van Steen­beeck in de tussen­liggende twee jaar weduwe zijn geworden.

Grafsteen Noordwijk

Afbeeld­ing: Grafz­erk van Floris van der Boekhorst en Johanna van Scha­gen, 1509, in de Oude Jeroenskerk in Noord­wijk.
Het rand­schrift van de man luidt: Hier leit begraven Florijs Arieansz van der Bou­chorst baliew (= baljuw) van Nor­tich (= Noord­wijk) was ende starf int jaere ons Heren XVC ende IX opten XIX dach novem­ber (19 novem­ber 1509)

Het rand­schrift van de vrouw luidt: Hier leit begraven (Willems?) Janna van Scha­gen Florijs wijf was ende starf int jaer van XVC ende (15..)

Het jaar­tal bij de vrouw is niet verder uit­ge­hakt, omdat ze nog in leven was; de verwacht­ing was ken­nelijk dat ze nog wel in die eeuw zou over­li­j­den. Dat is juist gebleken, ze stierf in omstreeks 60 jaar later, in 1567 of 1569 in Beverwijk

Noten bij deel 2
33.)NHA, toe­gangsnum­mer 1, inven­taris­num­mer 137, fol 37r

34.)NL-HaNA_1.10.01369, blad 2

35.)NL-HaNA_1.10.01369.

36.)NL-HaNA_1.10.01373, tes­ta­ment van 15 juni 1543 en HNA, toeg​.nr. 133, inv​.nr. 3, tes­ta­ment van 16 decem­ber 1541.

37.)NL-HaNA_3.01.52_A 12 en NHA, toeg​.nr. 1, inv.nr.137, passim.

38.)NL-HaNA_1.10.01373.

39.)NHA, toe­gangsnum­mer 1, inven­taris­num­mer 137, fol 16r.

40.)NL-HaNA 1.10.01.363, de getu­igen­verk­lar­ing van Mar­ije Mei­j­naerts van 12 juli 1535.

41.)NL-HaNA_1.10.01_371.

42.)idem

43.)NL-HaNA_3.01.52_A 12 en NHA, toeg​.nr. 1, inv.nr.137.

44.)NL-HaNA_1.10.01369.

45.)De Kakele­post, 34e jaar­gang num­mer 3, najaar 2019, p.21,22.

46.)HNA, toe­gangsnum­mer 137, inven­taris­num­mer 45, p. 11

47.)Grote Raad van Meche­len, BET107846

48.)zie noot 19; zie ook de home­page van Dé Win­ter­steijn en daar “Namen der Ede­len ende Heeren, die in voor­ti­j­den ’t Bal­lius ampt van Kennemer-​landt hebben bekleedt.

49.)Grote Raad van Meche­len, BET107846

50.)HNA, toe­gangsnum­mer 133, inven­taris­num­mer 48, folio 39 e.v.

51.)HNA, toe­gangsnum­mer 133, inven­taris­num­mer 48, folio 44 e.v.

52.)Leenkamer Graaf van Hol­land VIII Fries­land 12541649.

54)NHA, toe­gangsnum­mer 133, inven­taris­num­mer 45.

55) Region­aal His­torisch Cen­trum Zuidoost Utrecht, daarin de Col­lec­tie Dig­i­tale Bron­nen, nadere toe­gang 61, inven­taris­num­mer 45, GAU (= Gemeen­tearchief Utrecht) 704, 1565 21:

56) NA-HaNA_3.03.01.01, Hof van Hol­land, Civiele Zaken,15501619, deel I, inven­taris­num­mers 522649: 537101 31-​7-​1564.

57) 15301600​.blogspot​.com, betr­e­f­fende inwon­ers van Den Haag en de plek waar ze woon­den, samengesteld door Jan Clavaux.

Bron­nen

Reac­ties