Afdrukken

Artikel


Johannes Petrus Beem­ster­boer
werd op 22 jan­u­ari 1922 als vierde kind geboren in War­men­huizen. Na de lagere school ging hij achtereen­vol­gend naar de tuin­bouwschool in Broek op Langedijk en Bev­er­wijk. Daarna ging hij aan de slag als knecht bij een tuin­der in Kalverdijk. Al snel hield hij het voor gezien. Nadat hij toe­val­lig in con­tact was gekomen met een veevo­er­han­de­laar die hem vroeg of hij iemand wist waar stro of krielaar­dap­pe­len te koop waren, reageerde hij met de woor­den: Ja, dat weet ik wel, maar wat zit er dan voor mij aan? Hij bleek een geboren han­de­laar. Al in 1943 startte hij zijn eigen han­del­son­derne­m­ing. Die later bek­end werd onder zijn ini­tialen “JPB”. In datzelfde jaar, op 25 augus­tus, trouwde hij met Annie (Antje) Ruiter. Hij over­leed op 22 juli 2006.

jan in zijn jonge jaren

Afbeeld­ing: archief fam­i­lie Beem­ster­boer

Peter Beem­ster­boer, zoon van Jan, vertelt

Ik was altijd in de veron­der­stelling dat het verzet in ieder dorp door een grote groep mensen werd gedaan, dit bleek echter niet het geval. In War­men­huizen waren dat er slechts twee à drie; mijn vader Jan Beem­ster­boer, Jan Tes­se­laar en Klaas Mink. Wel werk­ten zij nauw samen met verzetsstri­jders uit andere dor­pen, zoals Ger­rit Sloof, dok­ter Piet Groen­hart, Pieter Borst, dok­ter Rein Posthuma en Jan Sin­nige (in de oor­log bek­end onder zijn verzetsnaam Jan de Vries ).

Ik kan mij niet herin­neren dat in mijn jeugd mijn vader over de oor­log sprak; pas op lat­ere leeftijd kre­gen wij de ver­halen te horen over zijn actieve rol in het verzet. Ook was er in de ’90 jaren de behoefte om elkaar weer te ont­moeten; zo kwa­men de weduwe van Ger­rit Sloof, Rein Pos­tuma en Jan Sin­nige regel­matig bij mijn vader en moeder op bezoek.

Pas 35 jaar na de oor­log werd mijn vader offi­cieel onder­schei­den voor zijn bij­drage in het verzet, en kreeg hij met nog 21 andere verzetsstri­jders uit de kop van Noord-​Holland het verzetskruis uitgereikt.


Hulp aan onder­duik­ers
De taak van het verzet bestond in hoofdzaak uit het onder­bren­gen en ver­zor­gen van onder­duik­ers. Gedurende de oor­logs­jaren zorgde het verzet dat een kleine 400 onder­duik­ers waaron­der 35 joden een plek vonden.


Bevolk­ingsreg­is­ter War­men­huizen
Vanaf 1943 dwon­gen de Duit­sers jonge man­nen in hun fab­rieken te gaan werken. Namen en adressen haalden ze uit het bevolk­ingsreg­is­ters van de gemeentes.

Het weghalen van deze bevolk­ingsreg­is­ters had geen zin, want in Den Haag was het Centraal

Bevolk­ingsreg­is­ter van Ned­er­land, en zou dus weer snel voor de gemeente gekopieerd kun­nen wor­den. Deze sit­u­atie veran­derde op 11 april 1944 toen de geal­lieer­den het depot van het bevolk­ingsreg­is­ter bombardeerden.

Na bek­end­word­ing werd er een ver­gader­ing ten huize van Dok­ter Groen­hart belegd, waar­bij, Rein Posthuma, Jan Sin­nige, Klaas Mink, Pieter Borst, Jan Beem­ster­boer, Dok­ter Groen­hart en een van zijn onder­duik­ers aan­wezig waren. Ze besloten om het bevolk­ingsreg­is­ter weg te halen en de vol­gende afspraken wer­den gemaakt.

De twee gemeen­teambtenaren Bes en Wester zouden ervoor zor­gen dat het reg­is­ter vanuit de brand­kast in de schoon­maakruimte kwam te staan.

Jan Sin­nige en Rein Posthuma zouden het gemeen­te­huis bin­nen gaan en de bakken met de bevolk­ingsreg­is­ters weghalen. Daarna zouden zij met een schuitje waarin Klaas Mink op hun wachtte, buiten het dorp de bakken in een diepe sloot laten verdwijnen.

Bij mijn vader en moeder werd er op die bewuste avond veldwachter Brandsma en zijn vrouw uitgen­odigd. Ze wilden het risico niet lopen dat hij iets zou zien. Na de avond­klok liep hij regel­matig door het dorp en dat was alleen maar lastig, want in een klein dorp met maar één hoofd­straat viel het al snel op als er ’s nachts mensen op straat liepen.

De ambtenaren Bes en Wester zijn die avond onderge­do­ken want zij zouden direct hier­mee in ver­band wor­den gebracht. De brand­kluis werd iedere nacht door twee Duit­sers bewaakt, dus het lag voor de hand dat de reg­is­ters al eerder uit de kluis waren gehaald.

De heren Bes en Wester hebben tot aan de bevri­jd­ing in Texel onderge­do­ken gezeten.

De Duit­sers besloten echter de vaders van Bes en Wester die totaal onkundig waren van het gebeuren, te gijze­len. Zij hebben een klein half jaar in het con­cen­tratiekamp gezeten. Over deze peri­ode is er een boek geschreven “Dag­boek van gijze­laar Jo Bes”.


Ver­raad
Bin­nen een week na het weghalen van het bevolk­ingsreg­is­ter werd mijn vader anon­iem gebeld. Het bericht was heel kort: “U moet direct het huis ver­laten in ver­band met het bevolk­ingsreg­is­ter.” Mijn vader bracht de andere heren op de hoogte en is direct naar Jan Sin­nige in Scha­gen gere­den. De vraag was, wie heeft dit merk­waardige tele­foon­tje gepleegd? Dit moet de onder­duiker bij dok­ter Groen­hart, “Scher­pen­zeel” zijn geweest. Men had zich al afgevraagd wat die Scher­pen­zeel eigen­lijk bij die ver­gader­ing te zoeken had. Ook vertrouwde Pieter Borst hem al niet en ver­dacht hem van het achterover­drukken van bonkaarten welke bestemd waren voor de onder­duik­ers en deze voor eigen gewin verhandelde,

Mijn vader is voor een paar dagen onderge­do­ken bij zijn vriend Frans van Dam in de Wieringer­meer. Jan Sin­nige is vol­gende dag naar Groen­hart gegaan om Scher­pen­zeel te ondervra­gen. Jan heeft hem in zijn kraag gepakt en hem met zijn kop in het water geduwd. Hij bek­ende bin­nen een min­uut de beller te zijn geweest. Daarna hebben zij hem vast­gezet om verder te ondervra­gen. Hij wist echter te ontsnap­pen. Piet Groen­hart ging posten bij het sta­tion Alk­maar en mijn vader en Chris Vos de zwa­ger van Groen­hart bij Koedijk. Net toen de sper­tijd om 04.00 uur ‘s mor­gens voor­bij was ging Scher­pen­zeel via Koedijk richt­ing Alk­maar. Mijn vader en Chris Vos pak­ten hem beet; duw­den hem in de auto en reden naar Dirk­shorn waar hij weer werd vast­gezet in het huis van Piet Groen­hart. Voor de tweede keer wist hij te ontsnap­pen en weer werd er gepost. Joop Vos, de andere zwa­ger van Groen­hart, Jan Sin­nige en mijn vader wacht­ten in de auto bij het Velser­pont. Wat zij niet wis­ten was dat daar de Ort­skom­man­dant woonde. Twee poli­tie­man­nen in burger hielden hen aan en zij wer­den gear­resteerd. In de Weter­ingschans wer­den zij vast­gezet, ondervraagd. Op de vraag wat zij in Velsen deden gaven de beide Jan­nen dezelfde verk­lar­ing: “zij waren daar voor de zwarte handel”.

Ik weet niet hoe­lang mijn vader in de Weter­ingschans is geweest voor­dat hij naar Kamp Amers­foort werd getrans­porteerd. Jan Sin­nige schreef dat hij daar circa 6 weken heeft gezeten. Joop Vos is direct nadat hij in Amers­foort aankwam vrijgelaten.


Kamp Amers­foort
Over de peri­ode kamp Amers­foort werd door mijn vader nauwelijks gespro­ken, wel von­den wij na zijn over­li­j­den in 2006 een plaatje met zijn naam en kamp­num­mer. Dat heeft hij al die tijd zorgvuldig bewaard maar ons nooit laten zien.

identiteidsbewijs kamp Amersfoort

Afbeeld­ing: archief fam­i­lie Beemsterboer

Wat ik over het kamp Amers­foort gelezen heb, moet daar, onder de lei­d­ing van Kotälla, geen pretje zijn geweest. Deze sadist had er plezier in om mensen te marte­len en heeft veel moor­den op zijn geweten.

Zowel Jan Sin­nige als mijn vader kre­gen te horen dat zij alle­bei op trans­port naar Duit­s­land zouden gaan. Mijn vader werd met twintig anderen ges­e­lecteerd om in Utrecht een Kriegsver­hor te onder­gaan. Als je in het Wol­ven­plein terecht kwam wist je dat het gebeurd was met je. Mijn vader was de enige van die groep die niet ges­e­lecteerd werd om naar Utrecht te gaan. Waarschi­jn­lijk heeft de poging van zijn vader en zijn broer Cor, om hem vrij te kri­j­gen hier een rol in gespeeld. Na twee maan­den gevan­gen­schap wis­ten zij hem met behulp van han­del­sre­laties vrij te krijgen.

Jan Sin­nige was echter min­der gelukkig, die werd op trans­port gezet naar con­cen­tratiekamp Buchen­wald. Onder­weg wist Jan Sin­nige te ontsnap­pen door via een raam­pje uit de rij­dende trein te sprin­gen. Hij is daarna lopend teruggekomen in Noord-​Holland waar hij direct zijn verzetstaken weer hervatte.

Beemsterboer 2

Afbeeld­ing: Arolsen Archives

Liq­ui­datie
Enkele maan­den na zijn thuiskomst uit Amers­foort hoorde mijn vader dat Scher­pen­zeel was ges­ig­naleerd. Jan Sin­nige werd geïn­formeerd en een zoekac­tie ges­tart. Al vrij snel von­den ze hem in de winkel van bakker Wester in Kalverdijk waarna hij werd meegenomen naar de schuur van Pieter Borst in Kalverdijk. Het was al duidelijk dat deze man een ver­rader was, niet te vertrouwen en een gevaar voor het verzet. Na ver­hoor bek­ende hij infor­mant van deSicher­heits­di­enst te zijn. Na rijp beraad werd besloten hem te liq­uideren. Maar voor­dat hij werd geëx­e­cu­teerd kreeg hij de mogelijkheid met een priester te praten. Mijn vader haalde de kapelaan uit War­men­huizen erbij die hem de biecht heeft afgenomen. De kapelaan heeft aan Jan Sin­nige verteld dat hij van­wege zijn biecht­ge­heim uit­er­aard geen din­gen mocht vertellen maar dat zij geen twi­jfel over de schuld van de man hoef­den te hebben, Scher­pen­zeel had heel wat op zijn kerfstok.


Fruit
Hierna moest Jan Sin­nige wel onder­duiken. In die peri­ode ging hij gewoon door met zijn werk voor de voed­selvoorzien­ing. Hij vond eind ‘44 onder­dak bij mijn vader en moeder. De twee Jan­nen waren ’s nachts veel op pad en mijn moeder stond dan altijd op hen te wachten tot zij weer thuiskwa­men. Zij was net moeder gewor­den van mijn zus Tinie en stond doo­d­sang­sten uit. Zij kon er niet meer tegen en ver­zocht Jan Sin­nige ergens anders onder­dak te zoeken. Dat had hij snel gevon­den bij Jan van Nieuwen­huizen in Dirk­shorn. Ondanks de belofte aan mijn opa om zich niet meer met het verzet te bemoeien bleef mijn vader bijna iedere nacht met Jan Sin­nige op pad gaan. Zo was er een par­tij fruit in opslag bij koel­huis Sev­en­huy­sen die door de Duit­sers in beslag was genomen. Zij von­den het niet zo’n goed idee het fruit daar te laten liggen ten gun­ste van de Wehrma­cht, de plaat­selijk bevolk­ing zou er meer aan hebben. Het fruit bestaande uit appels, peren en druiven werd ’s-​nachts in schuit­jes geladen en naar Tuit­jen­horn ver­vo­erd waar het op de zolder van de plaat­selijke school opges­la­gen werd. De koel­huis­deuren wer­den ges­loten en ver­gren­deld zodat de Duit­sers pas veel later doorkre­gen dat het fruit verd­we­nen was. Een zolder is geen koel­huis en boven­dien werd de fruitlucht in de school steeds sterker. Het fruit moest snel wor­den gedis­tribueerd. Wie kon je wel en niet vertrouwen, het fruit werd dan ook ’s nachts anon­iem bij de bevolk­ing voor de deuren gezet. Ook het zieken­huis in Alk­maar kreeg zijn deel. De patiën­ten reageer­den blij ver­rast toen zij de vol­gende dag de kar­ret­jes vol met fruit bin­nen zagen komen.

Honger­win­ter
In de honger­win­ter ’44 -’45 kwa­men er veel voed­sel­zoek­ers uit te grote ste­den naar Noord-​Holland. Bij mijn opa en oma thuis waren er dagelijks vele gas­ten die aan voed­sel wer­den geholpen.

Jan Beemsterboer

Afbeeld­ing: archief fam­i­lie Beemsterboer

Geen angst voor het gevaar
Ik heb mijn vader wel eens gevraagd of hij tij­dens het verzet nooit bang is geweest, zijn antwo­ord was: “Ik was jong, het was span­nend en ik realiseerde mij niet welk gevaar je liep.”

Peter Beem­ster­boer

verzet aangepast

verzet 2

Bron­nen

Reac­ties